|
Universiteit en medische hoogleraren
Conflicten
Bron: NRC Handelsblad, 3 juni 2006
Christelijke twistdokters
Auteur: Piet Borst
Als VU-vriendelijke heiden mocht ik laatst aanzitten bij een forumdiscussie over christelijke medische faculteiten. De aanleiding was een boek over de geschiedenis van de medische faculteit van de VU. Dat klinkt als een oersaai onderwerp, maar dat boek, Van Genezen in Geloof tot Geloof in Genezen van medisch-historicus Leo van Bergen, is allerminst saai. De hoogleraren die de VU-faculteit in de beginjaren bemanden waren potige christenen, die hun eigen invulling gaven aan het begrip naastenliefde.
In 800 paginas schetst Van Bergen een fascinerend beeld van de ongeloofwaardige intriges en knetterende ruzies die de medische faculteit hebben geteisterd.
De werkelijkheid is soms kleuriger dan een romanschrijver kan verzinnen. Het hoofdthema van het boek is de normalisatie van de VU-medische faculteit, d.w.z. het proces waarbij de christelijke grondverf geleidelijk verdween onder een laag van wetenschappelijke glansverf. Uitgangspunt voor die faculteit was uiteraard het gereformeerde christendom. Vrij zou die faculteit zijn, vrij van staatsbemoeienis en vrij van kerkelijke bemoeizucht, maar wel zou de medische wetenschap moeten bukken voor het Woord. De faculteit zou gaan genezen in geloof. Dat leidde tot problemen bij het aantrekken van staf. Een medische hoogleraar is al een schaap met vijf poten: dokter, geleerde, manager, collega, docent. Als daar ook nog een zesde poot bij moet, protestant, dan wordt de vijver waaruit kandidaten gevist moeten worden wel erg klein.
Zo ontstonden conflicten: serieuze geleerden waren vaak niet gereformeerd genoeg; vurige protestanten vielen soms wetenschappelijk tegen. Daar kwamen de gebruikelijke facultaire ruzies bij, die in een kleine faculteit als de beginnende medische faculteit van de VU extra conflictstof gaven. Neem de nevenverdiensten. In de jaren na de oorlog was het salaris van een medisch hoogleraar vrij min. Daar kon je kinderen niet van opvoeden. Alle hoogleraren hadden nevenactiviteiten, particuliere praktijk uiteraard, maar vaak ook meer inventieve bronnen van inkomsten.
De psychiater Van der Horst slaagde er lange tijd in om een dubbel hoogleraarsalaris te trekken door een fulltime verbintenis met beide Amsterdamse faculteiten, VU en Universiteit van Amsterdam. Van der Horst was een meester in het maken van dubbelzinnige afspraken, die hij op het beslissende moment onnavolgbaar in zijn voordeel wist te interpreteren. Onder zijn collegae gold hij daarom wel eens als onbetrouwbaar, maar als medisch student aan de UvA genoot ik van zijn meesterlijke colleges.
VU-icoon Lindeboom, hoogleraar interne geneeskunde, was tevens directeur en eigenaar van een privékliniek, de Pieter van Foreestkliniek. Dit leidde tot groteske verwikkelingen, zeker toen die kliniek ook nog tijdelijk gebruikt werd als deel van het VU academisch ziekenhuis. De hoogleraar fysiologie en farmacologie Knoppers had een lucratieve bijbaan als directeur van de Amsterdamse Chinine Fabriek en was niet bereid om die op te geven.
De prijs voor de meest inventieve bijverdiensten komt echter toe aan de hoogleraar histologie Stolk, die ruim betaald contractonderzoek deed waarvoor hij de resultaten uit zijn duim zoog. Daarnaast schreef hij kleurrijke boeken over zijn (verzonnen) expedities door Afrika, geïllustreerd met fotos die hij waarschijnlijk in Artis schoot, er voor wakend dat de tralies niet ook op de foto kwamen. Na zijn ontslag - eervol, want de VU wilde geen stennis - wist fantast Stolk het tot columnist van de Telegraaf te brengen, een speeltuin waar meer geflipte hoogleraren een uitlaat voor hun fantasie hebben gevonden.
Al die ruzies moeten wel in de historische context worden gezien. In de periode tussen 1950 en 1975 kenden de meeste medische faculteiten conflicten. Geregeld ontbrandde een felle richtingstrijd wanneer een beroemde hoogleraar moest worden opgevolgd. Moest het de rechterhand van de hoogleraar worden, meestal niet helemaal van hetzelfde niveau als zijn baas, of juist iemand van buitenaf om het bed eens fiks op te schudden? Moest een hoogleraar gynaecologie, die graag opereerde en die de verloskunde wat had verwaarloosd, weer door een operateur worden opgevolgd of juist door een verloskunde-expert? Het poldercompromis was nog niet uitgevonden en de verliezers in zulke conflicten droegen hun leed zelden in stilte.
Een medische hoogleraar was de baas van een middelklein bedrijf dat hij als een koninkrijk bestuurde. Het waren mensen met grote ambitie en een ijzeren constitutie, die 80 tot 100 uur per week werkten. Multidisciplinair onderzoek of gezamenlijk college geven was meer uitzondering dan regel. Het geld was krap, de faculteiten werden overstroomd door studenten, hoogleraren waren chronisch overbelast. Dat deze gestresste haantjes elkaar soms de veren uitpikten is niet verbazingwekkend. Bij de VU was het echter net een graadje erger, door de kleine faculteit en door het geloof als complicerende factor bij benoemingen. Wie iets weet van de geschiedenis van het Nederlands protestantisme, wie ziet dat zelfs nu de schismas nog niet van de lucht zijn, kan zich voorstellen dat deze compromisloze zuiverheid in de leer ook in de medische faculteit de emoties hoog deed oplaaien.
Aan de oprichting van de VU medische faculteit in 1950 ging een aantal valse starts vooraf. Al in 1907 benoemde de VU een hoogleraar psychiatrie, Bouman, die protestantse psychiaters op moest gaan leiden. De Vereeniging tot Christelijke Verzorging van Krankzinnigen en Zenuwlijders beschikte namelijk over eigen psychiatrische inrichtingen en daar waren dokters van eigen signatuur bij nodig. In 1910 werd Bouman ook geneesheer-directeur van de gloednieuwe Valeriuskliniek in Amsterdam. In 1919 volgde de benoeming van Buytendijk als hoogleraar in de fysiologie. Van meet af aan lagen deze pioniers overhoop met hun bazen, die geest wilden boven biologie, geloof boven wetenschap en die psychosen zagen als straf voor zonde conform de letterlijke lezing van de Bijbel. Uiteraard voelden de nieuwe hoogleraren niets voor uitdrijving van demonen of gebedsgenezing. Toen de steile richting in de VU de overhand kreeg in de jaren twintig, vertrokken Bouman en Buytendijk, waarmee de pogingen van de VU om een volwaardige medische faculteit op te zetten tot 1950 in de ijskast verdwenen. Daar kwam een ander curieus conflict bij: Abraham Kuyper, de oprichter van de VU, van de Anti-Revolutionaire Partij, en minister-president, was een vurig aanhanger van de homeopathie. Ook dit geloof heeft de medische faculteit veel verdriet bezorgd. Hoogleraar Bouman vond homeopathie niet christelijk en niet wetenschappelijk, maar geloof in de homeopathie is een hardnekkige kwaal en in 100 jaar VU medische activiteit zijn er geregeld recidieven opgetreden. Het meest opmerkelijke recidief kwam in de jaren zeventig toen een dolgedraaide democratisering studenten inspraak gaf in het medische curriculum, ook aan de VU. De sfeer was antiautoritair, de alternatieve geneeswijzen bloeiden, en dus wilden nu de studenten homeopathie in hun opleiding. De faculteit hield de boot af en verder dan een privaatdocentschap, de laagste sport op de universitaire ladder, is de homeopathie nooit gekomen. De sympathie bij de achterban is gebleven: In het VU-forum over 55 jaar medische faculteit aan de VU bleek toch nog een hoogleraar (niet in een medisch vak gelukkig) bereid om de homeopathie te verdedigen als serieuze geneeskunde. Een laatste achterhoedegevecht, hoop ik. Op den duur werd de strijd tussen geloof en wetenschap volledig gewonnen door de wetenschap. Zelfs ruimhartige staatssteun was niet genoeg om een confessionele medische faculteit als christelijk bolwerk te laten overleven. De achterban bleek te klein. Het gereformeerde volksdeel leverde te weinig hoogleraarskandidaten om een medische faculteit te vullen. Daarbij kwam de loting voor de toegang tot de medische studie. De studenten die het geluk hadden om in te loten moesten worden geplaatst, ook als hun voorkeur niet uit ging naar de VU. Zo stroomden heidenen, katholieken, joden, en nu ook islamieten de VU binnen. Zo kreeg de VU stafleden die weinig op hadden met de gereformeerde traditie en studenten die daar niets van moesten hebben. Onder deze dubbele druk verschrompelde de protestantse signatuur tot een kleine handtekening onder aan de pagina. De ruzies zijn ook verdwenen. In de 20 jaar dat ik met de VU-dokters heb samengewerkt is geen onvertogen woord gevallen.
Trefwoord:
|
hoger onderwijs; geneeskunde; christendom
|
Organisatie:
|
VU Vrije Universiteit
|
|